RK De Goede Herder parochie
Emmen en Erica

Patroonheilige van de Franciscusparochie

Franciscus van Assisi, Italië; diaken, stichter & mysticus; † 1226.

Feest (24 mei: inwijding basiliek[Cal]10-04-1226-franciscus 1
& 25 mei: overbrenging stoffelijk overschot naar basiliek
& 17 september (ontvangen der stigmata in 1224)
& 4 oktober (sterfdag).

Hij werd in 1182 geboren in Assisi, een plaatsje in de Italiaanse landstreek Umbrië, als zoon van de rijke lakenkoopman Pietro Bernardone. Eigenlijk heette hij Giovanni. Maar omdat vader graag pronkte met zijn successen en op het moment van Giovanni's geboorte in Frankrijk verbleef, noemde hij zijn zoon sindsdien Francesco, 'Fransmannetje'. De jongen kreeg de opvoeding die bij zijn status paste. Het maakte hem tot een zelfverzekerde jongeman, vriendelijk in de omgang, vrolijk, in alle takken van sport de beste, gezien bij de meisjes en vrijgevig met geld. Hij droomde ervan ridder te worden. Door gevangenschap en ziekte raakte hij echter in een crisis. Zijn vrienden bleven weg. Heel snel was men hem vergeten. Het werd hem duidelijk dat hij beter kon vertrouwen op God dan op mensen.

De verhalen vertellen dat stemmen hem zeiden de kerk weer op te bouwen. Hij meende dat het ging om een vervallen kerkje in de omgeving van Assisi, de San Damiano. Dat knapte hij op met het geld dat hij verdiende door in de kelder opgeslagen stoffen van zijn vader te verkopen. Deze had hem daar geen toestemming voor gegeven en zag zijn beoogde winsten opgaan aan een zinloze, geld verslindende onderneming. Hij was woedend en sloot hem op. Maar eenmaal vrij ging Franciscus gewoon door. Nu sleepte vader zijn zoon voor de rechter; die verwees de zaak door naar de bisschop. Omstuwd door de hele plaatselijke bevolking klaagde vader zijn zoon aan bij de bisschop en eiste al het geld van zijn zoon terug. Daarop gespte Franciscus voor het oog van alle aanwezigen zijn beurs los en wierp die zijn vader voor de voeten. Vervolgens kleedde hij zich uit tot op het naakte lijf en gooide kledingstuk voor kledingstuk voor zijn vader neer. Nu kwam de bisschop achter de jongeman staan en sloeg zijn mantel om hem heen. Vanaf dat moment was het voor iedereen duidelijk, dat Franciscus voortaan niet meer bij zijn vader hoorde, maar bij de Kerk van Christus (1206).

Hij nam zijn intrek in het kloostertje bij de San-Damianokerk. Daar leidde hij het leven van een kluizenaar. Hij kreeg de bijnaam 'Il Poverello' (‘armoedzaaiertje’) en verlangde er alleen nog naar een huwelijk aan te gaan met Vrouwe Armoede. Hij bedelde zijn voedsel bij elkaar. De eerste keer moest hij kokhalzen toen hij al die restjes en kliekjes zo op elkaar zag liggen. Maar hij wende er gauw aan. Wat hij nog bezat gaf hij weg aan armen en zwervers.
Na twee jaar begon hij in de omtrek te preken. Zijn boodschap was liefde: liefde voor de Schepper, voor mens, dier en plant. Hij noemde alle schepselen zijn broeders en zusters.
Al heel spoedig sloten zich wat volgelingen bij hem aan. Ze betrokken een huis, Portiuncula en noemden dat hun klooster. Franciscus schreef een heuse regel, die in 1217 door paus Honorius III († 1227) werd goedgekeurd. Nu waren ze een kloosterorde. Ze noemden zich 'Minderbroeders' (Fratres Minores). In korte tijd breidden zij zich uit over heel Italië, Spanje en Frankrijk.

Franciscus en Broeder Johannes
De heilige Franciscus kwam eens in de buurt van een dorp bij Assisi. Een zekere Johannes, een zeer eenvoudig man, was op het land aan het ploegen. Hij kwam naar de heilige toe en zei: "Ik wil dat u mij als broeder aanneemt, want ik verlang er al lang naar God te gaan dienen." De heilige was om de eenvoud van de man zeer verheugd en antwoordde op dat verzoek: "Als je je bij ons wilt aansluiten, broeder, geef dan alles wat je bezit aan de armen. Wanneer je dat gedaan hebt, zal ik je aannemen." De man wachtte geen moment. Hij spande onmiddellijk zijn ossen uit en bood er één aan de heilige Franciscus aan met de woorden: "Laten we die os dan maar aan de armen geven; dat deel van mijn vaders bezittingen heb ik wel verdiend." De heilige begon te lachten en had grote waardering voor wat de man in zijn eenvoud wilde doen. Maar toen zijn ouders en jongere broers ervan hoorden, kwamen ze in tranen toelopen. Ze waren echter meer bedroefd over die os dan over het verlies van iemand uit hun gezin. "Rustig maar!" zei de heilige toen. "Hier, ik geef jullie de os terug, maar jullie broer neem ik mee." Hij nam de man dus mee, en maakte hem, nadat hij hem met het habijt van de orde had bekleed, om zijn begenadigde eenvoud tot zijn bijzondere metgezel.

Wanneer de heilige Franciscus nu ergens bleef staan om te mediteren, maakte Johannes de Eenvoudige dezelfde bewegingen en gebaren, die de heilige maakte, en bootste ze zo getrouw mogelijk na. Als de heilige spuwde, spuwde hij ook; als de heilige hoestte, deed hij hetzelfde; hij sloot zich bij de man Gods aan, als deze weende, en zorgde ervoor met hem in zijn zuchten gelijk te blijven; hief de heilige zijn armen omhoog, dan zag je hem hetzelfde doen. Zo kunnen we doorgaan; hij hield de heilige nauwkeurig in het oog als zijn voorbeeld en maakte zich in alles een getrouwe kopie van hem. Toen de heilige vader dat in de gaten kreeg, vroeg hij hem, waarom hij dat eigenlijk deed. Hij antwoordde: "Ik heb nu eenmaal beloofd alles te doen wat u doet. Het zou gevaarlijk voor mij zien iets over te slaan." De heilige verheugde zich over de eerlijke, ongekunstelde eenvoud van de man. Maar hij maakte er toch een eind aan door hem vriendelijk te zeggen, dat hij het in de toekomst toch beter niet op die manier kon doen.

Niet lang daarna ging die eenvoudige man, die zich in oprechte onbevangenheid geheel richtte naar de heilige vader, op naar zijn Heer. De heilige stelde zijn leven dikwijls tot voorbeeld voor anderen en noemde hem dan met veel plezier de heílige Johannes, en niet bróeder Johannes.
[Thomas van Celano 'Franciscus van Assisi. Tweede levensbeschrijving' Vertaling van Pater A.A.C. Sier ofm, Haarlem, Gottmer, 1976 ISBN 90-257-0871-4 p:174-175 (hoofdstuk CXLIII nr.190)]